Onkruid blijft grootste uitdaging bij overstap naar ICM

Op de Limburgse proeflocatie wordt binnen de publiek-private samenwerking (PPS) Akkerbouw op Zand 2.0 gewerkt met een achtjarige vruchtwisseling van zes gewassen: aardappelen, suikerbieten, wintergerst, uien, peen en mais. Het onderzoek richt zich op de vraag hoe de afhankelijkheid van chemische gewasbescherming verder kan worden verminderd. Daarbij wordt het ICM-systeem vergeleken met een gangbaar teeltsysteem.
Akkerbouw op Zand 2.0 is een vierjarige PPS (2024-2027) en bouwt voort op de onderzoeksperiode van 2020-2023. Halverwege de tweede projectperiode ziet projectleider Marie Wesselink van Wageningen University & Research (WUR) duidelijke resultaten. De inzet van chemische gewasbescherming neemt binnen het ICM-systeem af met 50 tot 90 procent. Daar staat tegenover dat het opbrengstverschil met een gangbaar teeltsysteem rond de 8 procent ligt en in 2025 zelfs uitkomt op 10 procent. ‘De besparing is groot, maar economisch gezien blijft het een puzzel’, zegt Wesselink.
Ploegen
De grootste uitdaging binnen het systeem is de beheersing van onkruid. Na vier jaar liep de proef tegen de grens van wat nog beheersbaar was aan. Dat is het gevolg van de combinatie van minder herbiciden en niet-kerende grondbewerking. Daarom is besloten om voor alle gewassen weer te ploegen. Tegelijkertijd vraagt het kleiner wordende middelenpakket om andere oplossingen. Mechanische bestrijding met eggen, schoffels en vingerwieders levert goede resultaten op, maar bij kwetsbare gewassen zoals uien en peen blijft dit lastig.
De PPS kijkt daarbij verder dan alleen opbrengst. Ook maatschappelijke waarde en toekomstbestendigheid zijn belangrijke uitgangspunten. Onkruidonderzoeker Timo Sprangers van WUR vat de kern van ICM samen als het beperken van opbrengstverlies met zo min mogelijk inzet van synthetische middelen. Dat gebeurt via de vijf pijlers van ICM: gewasdiversiteit, rassenkeuze en teeltwijze, bodembeheer, monitoring en gerichte
bestrijding. Volgens Sprangers draait het vooral om voorspelbaarheid en niet om die 5 ton minder opbrengst. ‘Als je weet waar je aan toe bent, kun je daarop sturen.’
Beslissingsondersteunende systemen
De tussentijdse resultaten laten zien dat ook nieuwe technieken perspectief bieden. Thermisch branden vóór opkomst en beslissingsondersteunende systemen (BOS) maken het mogelijk om gerichter in te grijpen. Vooral in aardappelen kan daardoor worden gespoten op basis van infectierisico. Sprangers adviseert telers om BOS stap voor stap in te voeren en waar mogelijk resistente rassen te gebruiken.
Ook de keuzes voor groenbemesters en het bouwplan zijn aangepast. Grasachtige groenbemesters sluiten sneller en onderdrukken onkruid beter dan bladrammenas, al kan dat nadelen hebben voor aaltjes. Daarnaast vraagt de wetgeving rond rustgewassen om aanpassingen in de teelt, bijvoorbeeld door eerder te oogsten.
Gewasoverstijgend denken vormt een belangrijk uitgangspunt binnen ICM. Maatregelen in het ene gewas werken door in de volledige vruchtwisseling. Waar traditionele systemen vaak per probleem naar een oplossing zoeken, richt ICM zich juist op preventie via het ontwerp van het totale teeltsysteem. Dat maakt de aanpak complexer, maar ook robuuster. Volgens Wesselink en Sprangers ontstaan hierdoor nieuwe handelingsperspectieven met minder risico. ICM is daarmee geen verzameling losse maatregelen, maar een fundamenteel andere manier van werken.